De waarde van geld – Waar gaat geld heen? Deel 1

De waarde van geld – Waar gaat geld heen? Deel 1

Dit is deel 1 in een serie artikelen over geld. Wat is geld? Waar komt geld vandaan? Hoe werkt het monetaire systeem? Dient geld eigenlijk haar doel nog wel? Het doel van deze serie is de vraag te beantwoorden ‘waar gaat geld heen?’ – Vandaag een zeer beknopte geschiedenis van het moderne geld.

Mijn maag rommelt, honger. Gelukkig heb ik afgelopen week een prachtige kast gemaakt. Daardoor kan ik, met mijn kast op de rug, naar de markt. Ik heb iets te bieden. Hopelijk heeft er een rijke boer een kast nodig, of misschien een bakker. Dan ruil ik mijn kast voor eten, en zijn we beide blij. Helaas heeft niemand een kast nodig,  dus til ik hem ’s avonds weer naar huis. Probeer ik morgen een tafel te ruilen. Dat betekent wel een extra avond géén goede maaltijd. Het leven van de houtbewerker…

Een beetje onhandig.

Gelukkig bedachten we (waarschijnlijk de Chinezen) hierop een oplossing: geld. Geld vertegenwoordigd waarde. Je kan het sparen, je kan het ruilen en je kan ermee waarde toekennen aan objecten. En niet onbelangrijk: het is makkelijk mee te nemen, naar bijvoorbeeld de markt. Handig! Sparen was belangrijk, dit stelde de vakman in staat om ook een goede maaltijd te genieten wanneer er even geen vraag naar zijn producten was.

In het begin was de waarde van geld gelijk aan het materiaal van de munt. Een gouden munt was haar gewicht in goud waard. Lekker duidelijk. Intrinsieke waarde. Een nadeel had het wel: creatievelingen schaafden constant stukjes goud van de munten af. De munten werden daardoor steeds lichter en minder rond. Leuk weetje: munten met een hoekige vorm (bijvoorbeeld de britse 50 pence munt) of met een kartelrandje zijn zo ontworpen dat afgeschaafde randen direct opvallen.

Sommige koningen hadden er een handje van om meer munten te maken dan dat ze edelmetaal hadden. Dat deden ze door er koper of nikkel doorheen te mengen. Dan lijken gouden munten op het oog hetzelfde, maar er zit minder goud in de munt. Meer geld voor je goud. Dat was prettig wanneer een vervelend buurland aangevallen moest worden, of een volk onderdrukt.

Geld werd hiermee onbetrouwbaarder. De ene gouden munt was niet gelijk aan de andere. Henry VIII was ook hierin koning (in naam en functie). Soms gebruikte hij slechts 25% edelmetaal voor een munt, zo kon hij viermaal zoveel geld maken. Doordat het zilverlaagje zo dun was sleet het wel eens van de munt af, vooral bij de neus van Henry’s beeltenis. Het leverde hem de bijnaam ‘oude koperen neus’ op. Dat extra geld werd ingezet om zowel Frankrijk als Schotland te bevechten. En Henry’s luxe levensstijl, natuurlijk.

Ook hiervoor volgde een oplossing: een ‘moderne’ munt had géén intrinsieke waarde, ze werden gemaakt van bijvoorbeeld nikkel of koper. Maar elke munt volgde de ‘gouden standaard‘, wat betekende dat elke munt een hoeveelheid goud vertegenwoordigde (elke gulden was bijvoorbeeld 605.61 milligram goud waard). Dat goud lag ergens in een kluis. Die waarde was vast. Hoekjes afschaven had geen zin meer. Elke gulden was evenveel waard, ongeacht de staat van de munt. De munt vertegenwoordigde een waarde.

Inmiddels zijn we weer een stapje verder: de gouden standaard is in de jaren-30 losgelaten (Nederland was één van de laatste landen ter wereld die de standaard nog volgde). Met het loslaten van de gouden standaard brak een nieuw tijdperk aan, de waarde van een munt werd flexibel. Het doel? De mogelijkheid creëren om ons geld minder waard te maken, en het loskoppelen van waarde en geld. Dat klinkt gek, maar als één van de laatste landen die de gouden standaard nog volgde liepen we een enorm economisch risico.

De gouden standaard was een begrenzing: als overheid kon je niet meer geld uitgeven dan je werkelijk had. Dat is op zichzelf een nobel iets, maar als al je buurlanden het wel doen sta je heel ver achter (tenminste op de korte termijn). Het loslaten van de gouden standaard zorgt dat een overheid geld kan bijdrukken, zonder dat er meer edelmetaal (of welke goederen dan ook) beschikbaar hoeft te zijn.  Er kan geld ‘gemaakt’ worden.

Tegenwoordig heeft geld geen intrinsieke waarde meer, en ook geen vertegenwoordiging van een waarde. Geld is niet meer waardevast. Huidig geld put haar waarde uit vertrouwen. De waarde van een valuta is daarom enkel uit te drukken in waarde in een andere valuta (een wisselkoers), het is relatief.

Eén Euro is op moment van schrijven $ 1,146 waard. Op basis van vertrouwen. Maar hoeveel goud, zout, brood of aardappelen? Dat is niet te zeggen, één euro vertegenwoordigd een klein beetje vertrouwen in de toekomst van Europa. Door dollars te ruilen voor euro’s zeg je: ik vertrouw meer in Europa dan in de VS.

Daarom is de moderne waarde van geld uit een land dat op het punt staat om in een oorlog of crisis te geraken extreem laag: de kans dat je hier nog goederen voor kunt krijgen is vrijwel nul. De waarde het geld uit een stabiel land wat elk jaar meer goederen produceert zal stijgen: dit geld kan je waarschijnlijk nog lang omwisselen voor goederen of investeren. Terwijl het vroegere geld (namelijk goud of zilver) waardevast was, ongeacht waar het vandaan komt. Universeel. Een voorloper van de euro, als het ware 😉 

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe jouw reactie gegevens worden verwerkt.